Logo
Columns en artikelen

Wie stelt moet bewijzen

Het Nederlandse burgerlijke recht kent een bewijsstelsel gebaseerd op de zogenaamde vrije bewijsleer. Binnen dit stelsel zijn alle denkbare bewijsmiddelen toegestaan. In de praktijk zal vaak sprake zijn van getuigenverklaringen of getekende documenten, steeds vaker bestaat het bewijs echter ook uit digitale bewijsmiddelen zoals een foto of filmpje gemaakt met een mobiele telefoon of een e-mail of WhatsApp bericht.

 

Alles is in principe als bewijs toelaatbaar het is echter uiteindelijk aan de Rechter om te beslissen of het bewijs wel of niet voldoende overtuigend is. Dit tenzij in de wet voor een bepaald bewijsmiddel anders is bepaald zoals bijvoorbeeld voor een notariële akte het geval is. Deze levert voor een ieder dwingend bewijs op. Zo kan via een notariële akte dus bewezen worden dat een partij op een bepaalde dag een bepaalde verklaring heeft afgelegd maar of de inhoud van die verklaring al dan niet gelogen is, staat daarmee in rechte op zich nog niet vast. Wel zal de andere partij natuurlijk met serieus tegenbewijs moeten komen als hij de Rechter zover wil krijgen dat de inhoud van de akte als bewijs moet worden gepasseerd.

 

In het algemeen geldt voor het leveren van bewijs de regel dat wie in een procedure iets stelt ook degene is die het gestelde moet bewijzen. Feiten en rechten die door de ene partij in voldoende mate zijn gesteld en die door de andere partij niet of onvoldoende worden betwist, worden door de rechter in principe als vaststaand aangenomen. In de praktijk is de bewijslastverdeling tussen de partijen dus vaak bepalend voor de uitkomst van de procedure. Om deze reden wordt ook wel gezegd dat de partij die de bewijslast heeft het bewijsrisico draagt; het risico dat hij zijn stellingen niet kan bewijzen. In bijzondere gevallen kan sprake zijn van een omgekeerde bewijslast, de wederpartij moet dan bewijzen dat hetgeen door de ene partij is gesteld niet juist is. Zo is in de wet bepaald dat een werknemer niet hoeft te bewijzen dat zijn werkgever aansprakelijk is voor schade die hij tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden heeft geleden omdat bijvoorbeeld een snijmachine niet deugde. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat de machine deugdelijk was en dat hij aan alle geldende veiligheidsmaatregelen heeft voldaan. Buiten de wettelijke gevallen zijn Rechters echter uiterst voorzichtig met het aannemen van situaties waarin de omkering van de bewijslast billijk is.

 

Een partij op wie de bewijslast niet rust kan in een procedure zomaar ontkennen een per gewone post verzonden brief of een e-mail te hebben ontvangen. Daarmee wordt de verzendende partij dan ten volle met het bewijsrisico opgezadeld. Als het bericht bijvoorbeeld een ingebrekestelling betrof waarmee de verzendende partij het intreden van verzuim had willen bewijzen en waarvan juridisch de mogelijkheid tot bijvoorbeeld de ontbinding van een overeenkomst of het kunnen vorderen van schade afhangt, dan is dat een bittere pil zeker als de wederpartij er als bonus op zijn slechte gedrag ook nog eens met een proceskostenvergoeding van door gaat.