Logo
Columns en artikelen

Op staande voet ontslagen… en toch aanspraak maken op een vergoeding, proost!

Een werknemer die in rechte aanspraak probeert te maken op een vergoeding na een terecht gegeven ontslag op staande voet. Voor uw gevoel waarschijnlijk een volkomen kansloze exercitie die voor invoering van de Wet werk en zekerheid in 2015 juridisch ook niet mogelijk was. Maar bij de invoering van laatstgenoemde wet heeft de wetgever de mogelijkheid toch niet geheel willen uitsluiten. In de praktijk werden de voorbije jaren behoorlijk wat vraagtekens gezet bij de open gelaten mogelijkheid van een vergoeding in dit soort gevallen en eigenlijk waren de meeste geleerden het er toch wel over eens dat het niet de bedoeling was dat een (terecht) op staande voet ontslagen werknemer nog aanspraak zou kunnen maken op een (transitie)vergoeding. wie schetst de verbazing van deze geleerden toen de Hoge Raad in maart van dit jaar opeens oordeelde dat het wel mogelijk is om een transitievergoeding toe te kennen aan een op staande voet ontslagen werknemer.

In de zaak waarover de Hoge Raad besliste was een werknemer, niet voor de eerste keer en in strijdt met het alcohol- en drugsbeleid van zijn werkgever, onder invloed op zijn werk verschenen. Dat leverde volgens de Kantonrechter, het Gerechtshof Den Haag en ook de Hoge Raad een voldoende  dringende reden op voor het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet. Maar volgens de Hoge Raad hoeft de aanwezigheid van een dringende reden niet automatisch ook een ernstig verwijtbare handeling van de werknemer op te leveren. En zonder een ernstig verwijtbare handeling van de werknemer is een werkgever op grond van de Wet werk en zekerheid nu eenmaal altijd een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd (mits voldaan is aan de andere voorwaarden daarvoor zoals een dienstverband van 2 jaar of langer en een beëindiging niet op initiatief van de werknemer zelf).

De transitievergoeding die door de kennelijk toch niet zo bezopen werknemer was gevorderd bedroeg (gelet op het inkomen van de werknemer en de duur van het dienstverband) een slordige € 41.215,00 en daar bovenop vorderde de werknemer ook nog eens een billijke vergoeding ad € 40.000,00. Toch geen misselijke bedragen om ook gedurende een periode van werkloosheid een aardige wijncollectie van te onderhouden. Toegegeven een flinke WW-uitkering zal er voor de werknemer niet inzitten; een ontslag op staande voet levert voor het UWV immers veelal wel automatisch ook verwijtbare werkloosheid op.

Of de door de werknemer gevorderde bedragen ook door de werkgever betaald moeten gaan worden omdat het handelen van de werknemer dus wel als een dringende reden maar misschien niet als ernstig verwijtbaar moeten worden aangemerkt, heeft de Hoge Raad niet beslist. Dat is namelijk een feitelijke vraag waarover de Hoge Raad niet gaat en die vraag heeft de Hoge Raad het Gerechtshof Amsterdam in de maag gesplitst. Te vroeg dus nog voor champagne.